Vul een goed woord in.Ben je klaar?Druk dan op de knop "controleren".
1. uw handen .
2. en gaan .
(2)
Karla zoekt een huis om te huren.Haar vriend Mik weet een huis.Zij heeft nog wel een paar vragen voor Mik.
3. Vraag naar de prijs.
4. Vraag naar aantal kamers.
[?] de van het huis ?
het ?Ik zie je volgende week.
Karla
(6)
(7)
Gon moet naar het ziekenhuis. Zij wordt geopereerd.Piet schrijft haar een brief. Maak de brief af.
8.
9.
10.
11.