
Je werkt in een winkel.
Een klant komt binnen.
Wat zeg je ?
Een kind steekt de straat over.
Er rijden veel auto's.
Het kind kijkt niet uit.
Wat roep je ?
Je morst koffie op de broek van je docent.
Wat zeg je ?
Iemand stelt jou een vraag.
Je weet niet wat je moet antwoorden.
Wat zeg je ?
Je belt.
Je wil meneer Snik spreken.
Een vrouw neemt op.
Wat zeg je ?
Je loopt een restaurant binnen.
Het is druk.
Er is een stoel vrij bij een tafel.
Aan deze tafel zit een vrouw die jij niet kent.
Wat zeg je ?
Je praat.
Iemand onderbreekt je.
Hij laat je niet uitpraten.
Wat zeg je ?
Je wil iets vragen.
Wat zeg je ?