Je komt iemand tegen.
Wat zeg je ?
- Hoe gaat het met je ?
- Gefeliciteerd.
- Gecondoleerd met de baby.
Je vriend heeft pas een baby gekregen.
Wat zeg je ?
- Gecondoleerd met de baby.
- Gefeliciteerd met de baby.
- Beterschap met de baby.
Een vriendin is jarig.
Wat zeg je ?
- Succes.
- Gefeliciteerd.
- Beterschap.
De vader van een vriend is overleden.
Wat zeg je ?
- Gefeliciteerd.
- Succes met je vader.
- Gecondoleerd met je vader.
Je botst tegen iemand op.
Wat zeg je ?
- Hallo.
- Sorry.
- Beterschap.
De moeder van je vriendin is ziek.
Wat zeg je ?
- Beterschap met je moeder.
- Gefeliciteerd met je moeder.
- Gecondoleerd met je moeder.
Iemand vertelt een verhaal.
Je gelooft het verhaal niet.
Wat zeg je ?
- Ik geloof je niet.
- Ik geloof je.
-
Hoe gaat het met je ?
Je broer vraagt je mee naar de film.
Je hebt geen tijd.
Wat zeg je ?
- Leuk. Ik ga mee.
- Is de film mooi ?
- Sorry, maar ik heb geen tijd.
Je wordt opgebeld door een man.
Je kan hem niet goed verstaan.
Wat zeg je ?
-
Sorry, maar hoe gaat het met u ?
- Sorry. Ik kan u niet verstaan.
- Gefeliciteerd met je verjaardag.
Je staat in een winkel te wachten.
Je staat in een rij.
Iemand dringt voor.
Je bent boos.
Wat zeg je ?
- Sorry mevrouw maar ik ben aan de beurt.
- Het is erg druk vandaag.
- Hoe gaat het met u ?