
Je komt binnen in de supermarkt. Je zoekt 50 cent om in de kar te doen.
Maar je hebt je munt van 50 cent.
Wat vraag je ?
Je wilt een pak waspoeder pakken. Maar het pak staat te hoog.
Er komt een lange man.
Wat vraag je aan de man ?
Je zoekt mayonaise. Maar je kunt dat niet vinden.
Je ziet een man van de supermarkt.
Wat vraag je aan de man ?
Je staat in de rij bij de kassa van de supermarkt. Je bent bijna aan de beurt.
Dan gaat een man voor jou staan.
Wat zeg je ?
Je loopt in de supermarkt. Voor je staan 2 vrouwen te praten.
Hun karren staan in de weg. Je kunt niet doorlopen.
Wat vraag je aan de vrouwen ?
Je staat bij de kassa. De vrouw achter de kassa vraagt: "Wilt u zegels ?"
Wat zeg je dan ?
Je staat bij de kassa. Je hebt maar 2 boodschappen.
De vrouw voor je heeft een hele kar vol met boodschappen.
Wat vraag je aan de vrouw ?