
Je hebt haast. Je loopt snel naar de bushalte.
Je bent bang dat de bus al weg is. Bij de bushalte staat een man.
Wat vraag je ?
Je gaat met de tram naar het Oosterpark. Je weet niet bij welke halte je moet uitstappen.
Wat vraag je aan de bestuurder van de tram ?
Je zit in de bus. Je moet naar de halte "Westerstraat".
Je weet niet welke halte dat is. Naast je zit een vrouw.
Wat vraag je aan de vrouw ?
Je moet met de bus naar het Centraal Station.
Je stapt in en je pakt de strippenkaart.
Wat zeg je tegen de chauffeur ?
Je stapt in een bus. De bus is bijna vol.
Er is een stoel vrij. Maar op die stoel staat een tas van een man.
Wat vraag je aan de man ?
Je zit in een bus. Er stapt een oude vrouw in.
Deze vrouw is moe. Maar er zijn geen stoelen meer vrij.
Wat vraag je aan deze vrouw ?
Je wilt met de trein naar Utrecht. Je koopt een kaartje.
Je wilt weten waar je moet instappen. Je wilt weten hoe laat de trein weggaat.
Op het station is een loket. Daar kan je informatie krijgen.
Wat vraag je daar ?