| Lees eerst de opdracht. Lees ook
het voorbeeld. Maak dan de opdrachten. Druk de opdracht af en maak hem. |
![]() |
|
| voorbeeld opdracht 1 opdracht
2 opdracht 3
opdracht 4 |
druk opdracht af |
|
| Niet thuis |
||
| opdracht Je zit bij Said in de klas. Hij kwam vandaag niet naar school. Je gaat bij je vriend Said op bezoek. Je wil met hem praten over school. Je belt bij hem aan. Maar hij is niet thuis. Je doet een briefje bij hem in de brievenbus. Schrijf het volgende: - vraag hoe het met hem gaat - vraag waarom hij niet naar school kwam - vertel hem het huiswerk - vertel hem hoe laat de school morgen begint Schrijf ook je eigen naam (de afzender) onder de brief. |
![]()
|
|