|
|
||
|
Een vraag om boodschappen te doen.
|
||
|
Je bent alleen thuis. Je moet nog boodschappen halen. Dan gaat de telefoon. Je broer belt je. Hij vraagt of je snel even kunt komen. Over een half uur is je man/vrouw thuis. Je schrijft een briefje voor haar.
- schrijf waarom je weg bent - schrijf hoe laat je weer thuis bent - vraag aan je man/vrouw om boodschappen te doen - vertel wat hij/zij moet kopen |
|
|