Tip 1:
Neem eerst even kort (b.v. 3 minuten) de tijd om alle teksten te bekijken: waar gaat het over? Dat helpt mogelijk tegen de zenuwen, en zorgt ervoor dat je voorkennis geactiveerd wordt: je herinnert je misschien automatisch al dingen die je over dat onderwerp weet.

Tip2:
Lees bij elke tekst eerst even snel de vragen. Dan kan je bij het lezen beter selecteren welke stukjes van de tekst belangrijk zijn. Analyseer de vragen (gaat het om details, globale vragen of begripsvragen?) en kies dan hoe je de tekst gaat lezen:
zoeken:
je leest de tekst niet helemaal, maar zoekt gericht naar de antwoorden op de vragen (vaak vragen naar deelinformatie of naar details). Je kunt deze strategie b.v. goed gebruiken bij gebruiksaanwijzingen, reglementen en vacatures.
Globaal lezen:
je leest de tekst wel, maar snel, en alleen om te begrijpen waar de tekst over gaat en wat de belangrijkste informatie is. Details zijn dan niet belangrijk. Let dan speciaal op de titel, de tussenkopjes en de eerste en de laatste alinea.
Begrijpend lezen:
als je de tekst echt goed moet begrijpen om de vragen te beantwoorden.
Als je je leesstrategie steeds goed kiest scheelt je dat veel tijd, die je dan kunt gebruiken om de moeilijke testen of vragen nog eens goed te bekijken.

Tip 3:
Let op de tijd: kijk na 10, 20 en 30 vragen of je nog ongeveer op schema ligt. Probeer b.v. 15 minuten over te houden om nog even alles na te kijken. Zet bij het beantwoorden kruisjes bij de vragen waar je over twijfelt en kijk die aan het eind nog eens goed na. Als je blijft twijfelen over het goede antwoord, wees dan voorzichtig met het veranderen van antwoorden: vaak is je eerste intuïtie juist.

Tip 4:
Gebruik je woordenboek met verstand: je hebt waarschijnlijk geen tijd om alle woorden op te zoeken die je niet kent. Gebruik je woordenboek bij deze gevallen:
- Bij begrijpend lezen.
- Als je een woord in de vraag niet begrijpt.
- Bij globaal of zoekend lezen: alleen als het woord voor het antwoord op de vraag belangrijk is.

Tip 5:
Laatste redmiddel: als je het antwoord op een vraag écht niet weet, probeer dan je kans op een goed antwoord zo groot mogelijk te maken:
- Kijk welke antwoorden zeker of waarschijnlijk fout zijn. Kies uit de andere antwoorden.
- Bekijk de twee mogelijk goede antwoorden ook taalkundig: wat is het verschil? Waarom staat er in het ene antwoord dat ene
  woordje er wel/niet bij?
 -‘Absolute’ antwoorden (b.v. met het woord ‘altijd’ of ‘nooit’) zijn vaker fout  dan genuanceerde antwoorden (b.v. met ‘meestal’, ‘vaak’).
- Daarmee samenhangend: het langste/meest volledige antwoord is vaker goed dan het kortere antwoord, omdat dat antwoord
  genuanceerder is.
NB:  Gebruik deze laatste twee strategieën alleen als je het écht niet weet. Als je wel twijfelt, maar toch één antwoord beter vindt dan de andere, kies dat dan.

Start de oefening

of:

Terug naar de
startpagina

 

 

 

Tips Staatsexamen II lezen