Lees deze tekst. Geef daarna antwoord op de vragen. Let op: je krijgt maximaal 7 minuten tijd!
In het najaar van 1996 ontdekt de buitenlandse pers het ‘poldermodel’. Er verschijnen lovende artikelen over de manier waarop de Nederlandse overheid de economie heeft hervormd en de sociale verzekeringen gesaneerd. Daarbij worden meer banen gecreëerd dan in de VS, mede door de langdurige loonmatiging en de flexibele arbeidsmarkt.

Wim Kok, de minister-president van het eerste Paarse kabinet (1994-1998), is een man die zijn weg het liefst door het midden zoekt. Nu zijn Nederlanders van oudsher mensen die doorgaans rustig en weloverwogen met elkaar in debat gaan en de consensus zoeken in plaats van elkaars tegenstellingen. Hierdoor wordt de Nederlandse politiek ook wel als ‘saai’ gekenschetst.
Ten tijde van het eerste kabinet-Lubbers was Wim Kok voorzitter van het Nederlandse Verbond van Vakbewegingen en in die functie mede verantwoordelijk voor de afspraken tot loonmatiging en werktijdverkorting met de werkgeversorganisaties. Wim Kok, een door en door socialist, was in die tijd al geen mens die de barricaden beklom om luidkeels stakende vakbondsleden toe te spreken. Hij zocht en vond vaak zijn gelijk in het overleg. Op die wijze leidde hij ook het eerste Paarse kabinet. Het motto van het kabinet-Kok luidde ‘werk, werk en nog eens werk’. In dat streven naar meer werkgelegenheid slaagde dit kabinet duidelijk. Van 1994 tot 2000 vonden meer dan een half miljoen mensen een baan. Deze toename van de werkgelegenheid met gemiddeld 2,6 procent per jaar lag ruim boven de gemiddelde werkgelegenheidsgroei in de Europese Unie (0,6 procent) en de Verenigde Staten (1,7 procent). In de periode 1989-1998 steeg de werkzame beroepsbevolking zelfs met 1,2 miljoen personen (+22 procent).

Nederland staat bekend om zijn overlegeconomie, die ook wel wordt aangeduid als het ‘poldermodel’. Structureel en intensief overleg tussen vakbonden, bedrijfsleven en overheid is het kenmerk van dit poldermodel. De economische stabiliteit die hierdoor in stand wordt gehouden is een van de grote voordelen. Om de grote werkloosheid terug te dringen sloten de overheid, werkgevers en werknemers in 1982 een akkoord dat zich richtte op herstel van de werkgelegenheid door loonkostenmatiging. De voedingsbodem voor de goede prestatie in de afgelopen jaren werd al begin jaren tachtig gelegd. Dat beleid werd afgestemd op het gezond maken van de economie. Sinds die tijd hebben drie belangrijke beleidsveranderingen de Nederlandse economie sterk gewijzigd. De eerste wijziging was beheersing van de collectieve uitgaven, om zo het overheidstekort en de lastendruk voor het bedrijfsleven te verminderen. Hierdoor kwamen de inflatie en rente op een laag niveau. Een tweede belangrijke beleidswijziging was het streven naar loonkostenmatiging. Hiervoor sloten werkgevers en werknemers in 1982 het Akkoord van Wassenaar, dat zich richtte op werkgelegenheidsherstel door loonkostenmatiging. De derde beleidswijziging die begin jaren tachtig werd ingezet, was een forse herziening van het stelsel van sociale zekerheid. Hierdoor ontstond er een groter verschil tussen mensen met een uitkering en werkenden, waardoor de prikkel om werk te zoeken werd gestimuleerd.

Het Nederlandse poldermodel heeft wereldwijd grote aandacht getrokken, mede door de voortreffelijke economische prestaties die hieruit voortkwamen. De Nederlandse economie presteerde in de afgelopen jaren dan ook opvallend goed. De gemiddelde groei van de economie met 3,2 procent per jaar in de periode 1994-1998 was ruimschoots hoger dan het gemiddelde van de Europese Unie (2,5 procent) en evenaarde die van de Verenigde Staten.
Volgens sommige Nederlandse historici is het begrip ‘poldermodel’ afkomstig uit de 17e eeuw. Dit was een tijd dat er in Nederland veel ‘droogmakerijen’, polders dus, werden aangelegd, die daarna ook moesten worden onderhouden. Daarbij was – en is nog steeds – veel overleg nodig tussen veel partijen, zoals overheden, landeigenaren en waterschappen. Zo willen de waterschappen het overtollige water zo snel mogelijk weg hebben, boeren willen een laag grondwaterpeil, maar natuurbeschermers weer juist een hoog grondwaterpeil enzovoort. Begrip voor elkaars standpunt is dan ook onontbeerlijk om delen van Nederland niet (weer) onder water te laten lopen. Nederlanders hebben het overleg en het zoeken naar consensus in hun genen zitten, vandaar ook dat de ‘ overlegeconomie’ juist in Nederland is uitgevonden.