Klein Meisje - eeuwenoud (door: Carole Vos)
Het
kleine meisje kroop op handen en voeten dwars door de struiken, zo kwam
ze aan. Het gezichtje was groen. Het enige, het echte waarachtige
algengroen had haar bijna egaal groen gekleurd.
‘Dato’, zei ze met
een smekend stemmetje, ‘Dato.’ En omdat ze twee handen tegelijk
uitstrekte naar Jona, trok die zich verschrikt terug.
Ze moesten hun handen thuishouden, dat moesten ze nu maar eens voorgoed weten.
‘Dato, ik wil naar Dato,’ huilde het groene kind. Ze krabbelde overeind en zette een stap in Jona’s richting.
‘Dato, haha, een wasmiddel. Dan zul je toch naar de winkel moeten.’
Maar
het kind liep hem voorbij. Ze liep regelrecht naar het kasteel. Ze liep
er regelrecht op af. ‘Privé!’ krijste Jona, ‘het is hier privé. Weg
jij.’
‘Dato!’
Ze liep naar het kamertje rechtsonder. Alsof ze
het dagelijks deed, klom ze handig op het traliewerk. Ze wrong zich
tussen de smeedijzeren figuren door.
‘Dato?’
Ze bewoog haar
hoofdje zo, dat ze alle hoeken van het kamertje kon onder-zoeken. Dat
werd Jona toch wel te gortig. Hij rende op haar af en begon aan haar
benen te trekken.
‘Weg daar. Dat is onze logeerkamer. Doe niet
zo onbeschoft. Schiet op. Kom eraf, anders sla ik je. Of ik roep de
honden. Pas op, want we hebben tijgers hoor en die scheuren je uit
elkaar.
‘Dato, ik wil Dato.’
Ze keek hem aan. De zwarte haren
hingen over het groene gezichtje geplakt. De tranen trokken lange
sporen in het groen. Ja, het groen leek echt groen tot in de diepste
poriën, ook van haar armen en handjes.
‘Zijn speelgoed ligt er nog. Dit is helemaal jullie logeerkamer niet,’ riep ze. Jona voelde zich zeer en zeer onzeker worden.
‘Kijk, zijn treintje… zijn blokken. Kijk dan zelf.’
Jona klom naast haar en keek het kamertje rond.
Hij
zag een hem onbekend houten treintje, hij zag blokken. Hij zag het
logeerbed niet meer en ook het logeerkamertjeskastje niet. Hij zag wel
een poppenkast. En boeken, veel kinderboeken. Hij zag vaag
pastelkleurig licht, waarvan hij niets begreep.
‘Ga mee naar
mijn oma,’ zei Jona met een kleine stem. Dit was echt iets voor oma,
zo’n klein groen meisje. Ze zou er stralend op af vliegen. Ze zou het
aan haar hart drukken. Mama was nooit een klein groen meisje geweest.
Jammer, jammer. Jona wist wel zeker dat hij vandaag een hartewens van
oma kon vervullen door haar een klein groen meisje te geven, waarvan
niemand iets begreep en met een hekserig aanlegje. Soms komt zoiets nog
voor, af en toe, bij kinderen die nogal afgezonderd opgroeien.
‘Kom,’ zei Jona.
‘Dato,’ snikte het meisje.
Jona
hielp haar van de vensterbank af en dat deed hij alleen omdat hij het
groene handje wilde voelen. Zou het koud zijn of warm? Het was warm en
een tikje kleverig geworden door een mengsel van zand en tranen en
misschien had ze rondkruipend ook wel een insect met haar handen
verbrijzeld en ingewanden van insekten zijn altijd wat plakkerig in je
handen.
‘Kom maar mee.’
Oma keek op van de brandnetels, waarin ze vredig ineengedoken zat.
‘Oma, oma, zij wil naar Dato.’
Oma
stopte met het inwrijven van haar gave en toch oude maar o zo jonge
armen met brandnetelblaren. Ze keek met ogen die groter dan ooit werden
van verbazing naar het groene kind.
‘Maar …’ begon oma. ‘Fiona,’ fluisterde ze tenslotte.
Ze
drukte het meisje niet stralend van vreugde aan haar hart. Ze was niet
verrukt zoals Jona had gehoopt. Toch gaf hij het groene kind echt als
een kadootje. Dat viel tegen.
‘Asjeblieft oma, zij zoekt Dato.’
‘Dato!’
Een kleine snik. ‘Dato.’
‘Hoe oud ben jij?’ vroeg oma streng, wel héél streng aan het kadootje. Stilte. Stilte in de zon.
Bloedhete zon. Zinderende lucht. Geen vleugje wind.
‘Nou?’ oma snauwde bijna.
‘Zesenzeventig,’ fluisterde het kleutertje.
....