
Tegenwoordig gaat bijna iedereen op vakantie.
Maar
dat is niet altijd zo geweest.
Wat wordt bedoeld met "dat" ?
Vroeger hadden de meeste arbeiders geen vrije tijd.
Dat was iets voor rijke mensen.
Wat wordt bedoeld met "dat" ?
Vrije tijd was iets voor rijke mensen.
Die gingen bijvoorbeeld naar het strand in Scheveningen.
Wat wordt bedoeld met "die" ?
Arbeiders hadden geen geld om op vakantie te gaan.
En
ze hadden geen tijd.
Wat wordt bedoeld met "ze" ?
Maar in 1919 kreeg iedereen recht op vrije tijd.
In
dat jaar werd er een nieuwe wet aangenomen.
Wat wordt bedoeld met "dat" ?
In 1928 staakten de loodgieters 19 weken.
Toen kregen zij 4 vakantiedagen per jaar.
Wat wordt bedoeld met "toen" ?
In 1928 staakten de loodgieters 19 weken.
Toen kregen
zij 4 vakantiedagen per jaar.
Wat wordt bedoeld met "zij" ?
Vakantie was niet meer alleen voor de rijken.
Het was iets voor iedereen.
Wat wordt bedoeld met "het" ?