De verwarming is kapot.
Het is __________ in huis.
|
![]() |
Het is koud in huis.
Ik __________ de huisbaas.
De verwarming is kapot.
Ik bel de huisbaas.
Ik heb een __________ .
De huisbaas komt.
Hij __________ de verwarming.
Hij __________ de klacht.
Het dak van met huis lekt.
Ik heb last van een __________.
|
![]() |
Het dak lekt.
De vloer van de badkamer staat onder __________ .
|
![]() |
Het lekt in huis.
De muren zijn __________ .
Ik heb een klacht.
Ik vul een __________ in.
Ik heb last van een lekkage.
Ik vul een formulier in.
Ik heb een __________ .
De monteur komt.
Hij _________ de lekkage.
Het dak van mijn huis lekt.
De huisbaas __________ het dak.