woordenlijst
huren: Ik huur een huis en betaal huur.
de woning: het huis
de huisbaas: de baas van het huis
de woningbouwvereniging: de huisbaas
de woonbon: een formulier
het koophuis: een huis om te kopen
het huurhuis: het huis om te huren
het lid: Je wordt lid van een woningbouwvereniging.
de beurt: Ik ben aan de beurt = Ik hoef niet te wachten.
de klacht: een probleem hebben in huis
de huur opzeggen: de huur stoppen
inschrijven: lid worden en een formulier invullen
slopen (gesloopt): een huis kapot maken
voorrang krijgen: je mag eerst
medische klacht: je bent vaak ziek
reageren: zeggen dat je een huis wilt / antwoord geven
het huishouden: het aantal mensen dat in een huis woont
het inkomen: het geld dat je verdient
de ketel:
van de verwarming