|
Zeg je wanneer iets is,
dan begin je de zin dan met "als".
- Eerst komt het onderwerp (ik-jij-hij-zij-het-er)
- Daarna komen de andere woorden (rest ).
- Het werkwoord sluit de zin.
voorbeeld:
Ik ga naar buiten als het mooi weer is.
Kom je binnen als het zes uur is ?
Hij maakt geen huiswerk als hij geen tijd heeft. |
|