De televisie staat ____________ de tafel.
- onder
- op
- naast
De klok hangt _______________ de muur.
- in
- aan
- voor
De baby zit _______________ de grond.
- op
- in
- voor
De vaas staat _______________ de tafel.
- boven
- voor
- op
De baby zit _______________ de tafel.
- voor
- achter
- in
Het schilderij hangt _______________ de muur.
- in
- aan
- boven
De stoel staat _______________ de tafel.
- in
- naast
- tussen
De tafel staat _______________ de stoel en de t.v.
- tussen
- voor
- achter
De televisie staat _______________ de grond.
- op
- naast
- achter
De klok hangt _______________ de stoel.
- in
- onder
- boven