
Hij ____________ geen tijd om te komen.
Mijn broer ____________ morgen jarig.
Ik ____________ volgende week 50 jaar.
De cursisten ____________ iedere dag wel naar school.
____________ ik vandaag om 3 uur naar huis ?
Hij ____________ niet wanneer hij terugkomt van vakantie.
Wij ____________ de docent niet als hij snel praat.
Ik ____________ de woorden van hoofdstuk 10 niet.
Waarom ____________ je altijd de afspraak ?
Ik en mijn broer ____________ naar de bus,
want we zijn erg laat.