Hij heeft _________ auto.
Hij rijdt _______ naar zijn werk in een auto.
Hij werkt _______.
Ik heb ________ agenda meegenomen.
Zij heeft _______ huiswerk.
Ik heb _______ tijd om huiswerk te maken.
Hij maakt zijn huiswerk _______ .
Ik kom morgen _______ .
Zij heeft _______ afspraak met mij gemaakt.
De trui is duur.
Ik koop hem _______ .
Ik heb _______ geld bij me.
Ik kan deze broek dus niet kopen.
Ik begrijp de opdracht ______ .