om ... te 1:
Zoek de zinsdelen bij elkaar.
Ik gebruik een computer om ...
???
eten te bewaren.
naar mijn werk te gaan.
vlees te snijden.
op internet te zoeken.
mijn handen te wassen.
te bellen.
een brief te schrijven.
iets te kunnen kopen.
Ik gebruik een pen om ...
???
eten te bewaren.
naar mijn werk te gaan.
vlees te snijden.
op internet te zoeken.
mijn handen te wassen.
te bellen.
een brief te schrijven.
iets te kunnen kopen.
Ik heb een telefoon nodig om ...
???
eten te bewaren.
naar mijn werk te gaan.
vlees te snijden.
op internet te zoeken.
mijn handen te wassen.
te bellen.
een brief te schrijven.
iets te kunnen kopen.
Ik heb geld nodig om ...
???
eten te bewaren.
naar mijn werk te gaan.
vlees te snijden.
op internet te zoeken.
mijn handen te wassen.
te bellen.
een brief te schrijven.
iets te kunnen kopen.
Ik gebruik een mes om ...
???
eten te bewaren.
naar mijn werk te gaan.
vlees te snijden.
op internet te zoeken.
mijn handen te wassen.
te bellen.
een brief te schrijven.
iets te kunnen kopen.
Ik gebruik een koelkast om ...
???
eten te bewaren.
naar mijn werk te gaan.
vlees te snijden.
op internet te zoeken.
mijn handen te wassen.
te bellen.
een brief te schrijven.
iets te kunnen kopen.
Ik gebruik zeep om ...
???
eten te bewaren.
naar mijn werk te gaan.
vlees te snijden.
op internet te zoeken.
mijn handen te wassen.
te bellen.
een brief te schrijven.
iets te kunnen kopen.
Ik heb een auto nodig om ...
???
eten te bewaren.
naar mijn werk te gaan.
vlees te snijden.
op internet te zoeken.
mijn handen te wassen.
te bellen.
een brief te schrijven.
iets te kunnen kopen.
controleer
ok
é