maar 4:
Zoek de zinsdelen bij elkaar.
Ik heb veel huiswerk, maar ....
???
zij is niet thuis.
hij drinkt niets.
zij heeft een klein huis.
ik heb niet genoeg geld.
ik heb geen postzegels.
hij eet niets.
ik heb geen zin om het te maken.
ik vind de sleutel niet.
Ik stuur een brief, maar ...
???
zij is niet thuis.
hij drinkt niets.
zij heeft een klein huis.
ik heb niet genoeg geld.
ik heb geen postzegels.
hij eet niets.
ik heb geen zin om het te maken.
ik vind de sleutel niet.
Zij betaalt veel huur, maar ...
???
zij is niet thuis.
hij drinkt niets.
zij heeft een klein huis.
ik heb niet genoeg geld.
ik heb geen postzegels.
hij eet niets.
ik heb geen zin om het te maken.
ik vind de sleutel niet.
Ik bel mijn moeder, maar ...
???
zij is niet thuis.
hij drinkt niets.
zij heeft een klein huis.
ik heb niet genoeg geld.
ik heb geen postzegels.
hij eet niets.
ik heb geen zin om het te maken.
ik vind de sleutel niet.
Hij heeft dorst, maar ...
???
zij is niet thuis.
hij drinkt niets.
zij heeft een klein huis.
ik heb niet genoeg geld.
ik heb geen postzegels.
hij eet niets.
ik heb geen zin om het te maken.
ik vind de sleutel niet.
Hij heeft honger, maar ...
???
zij is niet thuis.
hij drinkt niets.
zij heeft een klein huis.
ik heb niet genoeg geld.
ik heb geen postzegels.
hij eet niets.
ik heb geen zin om het te maken.
ik vind de sleutel niet.
Ik wil een auto kopen, maar ...
???
zij is niet thuis.
hij drinkt niets.
zij heeft een klein huis.
ik heb niet genoeg geld.
ik heb geen postzegels.
hij eet niets.
ik heb geen zin om het te maken.
ik vind de sleutel niet.
Ik wil de deur open maken, maar ...
???
zij is niet thuis.
hij drinkt niets.
zij heeft een klein huis.
ik heb niet genoeg geld.
ik heb geen postzegels.
hij eet niets.
ik heb geen zin om het te maken.
ik vind de sleutel niet.
Ik wil de deur open maken,
maar ik ben de sleutel kwij
t.
controleer
ok
é